Kennelijk onredelijk ontslagvergoeding in faillissement; geen concurrente vordering, maar boedelvordering.

Op 6 april 2010 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage uitspraak gedaan in een beroepsprocedure tegen de machtiging van een rechter-commissaris aan een curator tot opzegging van een arbeidsovereenkomst (zie www.rechtspraak.nl, LJN nummer BM0573).

In deze zaak heeft de gefailleerde zelf het faillissement aangevraagd. Dit gebeurde nadat één van haar werkneemsters voor de keuze was gesteld om haar ontslag – en een zeer bescheiden vergoeding – te accepteren, bij gebreke waarvan het faillissement zou worden aangevraagd. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de gefailleerde door de eigen aangifte slechts wilde voorkomen dat er een ontslagvergoeding aan de werkneemster moest worden betaald. 

De (waarnemend) rechter-commissaris had de curator wél toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst van de werkneemster op te zeggen, maar de goedkeuring onthouden aan het toezeggen van een ontslagvergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag (van welke omvang dan ook), omdat dat in strijd is met de wet.

Onder de gegeven bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank beslist dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de werkneemster zonder toekenning door de curator van een ontslagvergoeding kennelijk onredelijk is. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad (HR 12 januari 1990, NJ 1990, 662), dient deze vergoeding volgens de rechtbank bovendien te worden beschouwd als een boedelschuld en niet als een concurrente vordering.

Gepubliceerd op 04-05-2010

Nieuws

Afbeelding

15 mei 2012: Hoger beroep ingesteld in Zwavelzuur-zaak

Lees verder..

Geen wettelijke partneralimentatie voor samenwoners

Ook geen compensatie voor verzorging van kinderen Lees verder..

Persbericht Krans & van Hilten Advocaten

Lees verder..

Het vorderen van wettelijke rente bij echtscheiding

Lees verder..

Niet langer naar de Hoge Raad bij kinderontvoering

Lees verder..