Shockschade voor slachtoffers Koninginnedag?
Op dinsdagavond 4 augustus jl. was Marre Breitschaft als studiogast aanwezig bij het programma "Het gesprek van de dag" van Radio West.
Het onderwerp van de dag was de vraag of mensen die de beelden van de Koninginnedagramp op TV of op YouTube hebben gezien shockschade kunnen claimen. U kunt de uitzending terugluisteren via www.rtvwest.nl.
Volgens de Nederlandse wet is uitgangspunt dat alleen het slachtoffer zelf (de direct getroffene) recht heeft op vergoeding van letselschade. Derden kunnen volgens de wet alleen aanspraak maken op vergoeding van kosten die voor hun rekening zijn gekomen (bijvoorbeeld kosten van huishoudelijke hulp) onder de voorwaarde dat het slachtoffer ook vergoeding van deze kosten kan vorderen indien hij die zelf zou hebben gemaakt. Nabestaanden hebben een zelfstandig recht op vergoeding van de overlijdensschade die zij lijden, maar de vergoedbare schade is beperkt als ook de kring van gerechtigden. Nabestaanden die in de wet worden genoemd kunnen alleen vergoeding vragen van de begrafeniskosten en van de schade als gevolg van gederfd levensonderhoud indien de kostwinner is wegggevallen. Ook hier betreft het dus alleen vergoeding van materiele schade.
Als uitzondering op dit limitatieve systeem van de wet kan een derde zelfstandig zijn materiele en immateriele schade vergoed krijgen indien sprake is van shockschade. Dan moet volgens de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1. schending van een verkeers- of veiligheidsnorm met als gevolg overlijden of verwonding van het directe slachtoffer;
2. waarneming van het ongeval of directe confrontatie met de gevolgen daarvan;
3. waardoor bij de derde een emotionele schok is ontstaan met als gevolg "geestelijk letsel";
4. wat zich met name kan voordoen indien de derde met het directe slachtoffer een nauwe affectieve relatie heeft;
5. en het "geestelijk letsel" in rechte kan worden vastegesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien een psychiater een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft geconstateerd.
In de lagere rechtspraak is in een tweetal moordzaken uitgemaakt dat hoe ernstiger de normschendig hoe minder hoog de eisen die gesteld mogen worden aan de rechtstreekse confrontatie. In beide zaken ging het om de shockschade van ouders die door gruwelijke moorden hun kind waren verloren. Hoewel met deze uitspraken de grenzen voor de vergoeding van shockschade iets worden opgerekt, blijft de ratio dat slechts in hele ernstige zaken met een directe confrontatie een vergoeding voor shockschade op zijn plaats is.
De shockschadevordering van de mensen die de Koninginnedagramp op TV of YouTube hebben gezien zal afstuiten op het feit dat de confrontatie niet direct genoeg is geweest, mede gelet op het feit dat het geen naasten betreft van de overledenen en gewonden. Daarnaast is het de vraag of geestelijk letsel in rechte zou kunnen worden vastgesteld. Dit ligt anders voor de mensen die bij de ramp lijflijk aanwezig waren en/of naasten hebben zien verongelukken.






